Ga naar de inhoud

Neem contact op: 06 15336587  |  [email protected]

06 15336587  |  Stuur een mail

  • Home
  • Jaarprogramma
    • Voor de kinderopvang
    • Voor gastouders
    • Trainingen
    • Veelgestelde vragen
  • Voor het onderwijs
  • Pedagogisch coach
  • Academie
  • Over Anja Lutz
    • Over Anja Lutz
    • Blog en Downloads
  • Aanbod
    • Themaboeken
    • Gespreks- en reflectiesets
    • Aanbod
    • Winkelwagen
    • Mijn account
  • Contact
    • Contact
    • Agenda
  • Menu
  • 0
Menu
×
  • Home
  • Jaarprogramma
    • Voor de kinderopvang
    • Voor gastouders
    • Trainingen
    • Veelgestelde vragen
  • Voor het onderwijs
  • Pedagogisch coach
  • Academie
  • Over Anja Lutz
    • Over Anja Lutz
    • Blog en Downloads
  • Aanbod
    • Themaboeken
    • Gespreks- en reflectiesets
    • Aanbod
    • Winkelwagen
    • Mijn account
  • Contact
    • Contact
    • Agenda
Menu
Terug naar de cursus startpagina
Lessen
  • 1. Video les Ik zie jou
  • 2. Van label naar kijken
  • 3. Stop met labelen, start met kijken
  • 4. Zoek de aanleiding & basisbehoefte
  • 5. Kijk naar jezelf
  • 6. Werkblad Ik zie jou
Mini training ik zie jou

Les: Stop met labelen, start met kijken

Les 1

Stop met labelen, start met kijken

Van label naar observatie

Labels ontstaan razendsnel. Binnen een paar seconden heb je al een conclusie getrokken over waarom een kind doet wat het doet.

Dat is niet raar. Je brein is gemaakt om snel patronen te herkennen. Het helpt je de wereld overzichtelijk te houden. Maar bij kinderen werkt het anders. Elk kind is anders. Elke situatie is anders. En labels zorgen ervoor dat je stopt met kijken naar wat er écht speelt.

In deze les leer je labels los te laten en te kijken naar wat een kind je werkelijk laat zien.

Herken jij deze labels?

  • “Dat is een druk kind.”
  • “Hij wil gewoon niet luisteren.”
  • “Zij zoekt aandacht.”
  • “Hij is er nog niet aan toe.”
  • “Dat is een uitdagend kind.”
  • “Ze is gewoon lui.”
  • “Hij wil altijd zijn zin.”
  • “Dat kind kan niet zelfstandig spelen.”

Dit zijn geen feiten. Het zijn interpretaties. En interpretaties kleuren wat je ziet.

De omslag: van label naar nieuwsgierigheid

Wat als je bij gedrag niet meteen een conclusie trekt, maar nieuwsgierig wordt?

  • Niet “Hij wil niet naar de wc”, maar “Wat zie ik? Wat doet hij wel?”
  • Niet “Zij is druk”, maar “Wat laat ze me zien?”
  • Niet “Hij luistert niet”, maar “Wat gebeurt er bij hem?”

Die kleine verschuiving, van oordeel naar nieuwsgierigheid, maakt alles anders.

Zes keer kijken zonder oordeel

Voorbeeld 1

Het luier-kind

Een jongen van 3. Hij kan al een tijd droog zijn, maar weigert naar de wc te gaan. Hij wil een luier om. Vraag je waarom, dan zegt hij: “Dat is makkelijk.”

Het label dat ontstaat: “Hij wil niet zindelijk worden.” “Hij is er nog niet aan toe.” “Hij is lui.” “Hij zoekt aandacht.”

Wat zie je écht? Stop even. Wat observeer je zonder oordeel? Een kind dat een duidelijke voorkeur uit. Een kind dat een praktische reden geeft. Een kind dat een oplossing heeft gevonden die voor hém werkt. En een kind dat slim genoeg is om de weg van de minste weerstand te kiezen.

De verschuiving: van “Hij kan het nog niet” of “Hij wil niet” naar “Hij kiest de weg van de minste weerstand.” En weet je wat er gebeurt als je het omdraait? Als je zegt: “Ik weet dat jij het kunt. Je voelt het zelf ook.” Dan doet hij het waarschijnlijk gewoon. Omdat je hém ziet, niet het label. Juist bij kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong zie je dat ze voor het gemak gaan, of zich vasthouden aan de regel dat ze pas zindelijk hoeven te zijn als ze naar school gaan.

Voorbeeld 2

Het vraag-kind

Een kind in de groep stelt aan één stuk door vragen. “Waarom is de lucht blauw?” “Hoe werkt dat?” “Mag ik dit, mag ik dat?” Hij zit geen moment stil en geen activiteit houdt zijn aandacht lang vast.

Het label dat ontstaat: “Druk kind.” “Kan niet zelfstandig spelen.” “Lastig.” “Kan zijn aandacht niet vasthouden.” “ADHD?”

Wat zie je écht? Een kind met grote nieuwsgierigheid. Een kind dat verbinding zoekt door vragen te stellen. Een kind dat zich verveelt bij simpele activiteiten. Een kind met honger naar uitdaging.

De verschuiving: van “Lastig kind dat niet kan focussen” naar “Kind met een ontwikkelingsvoorsprong dat onderprikkeld is.” Het gedrag is niet het probleem. Het is het signaal: geef me iets waar ik mijn tanden in kan zetten.

Voorbeeld 3

Het zwijg-kind

Je vraagt een kind drie keer achter elkaar de kleuren te benoemen. De eerste twee keer doet hij het perfect: “Rood, blauw, geel, groen.” De derde keer vraag je het opnieuw. Hij kijkt je aan. En zegt niks. Stilte.

Het label dat ontstaat: “Hij wil niet meer meewerken.” “Ongeïnteresseerd.” “Hij doet moeilijk.” “Concentratie weg.”

Wat zie je écht? Een kind dat de eerste twee keer wél antwoordde. Een kind dat nu stil is. Een kind dat je aankijkt, dus zijn aandacht is er. Een kind dat iets lijkt te overwegen.

De verschuiving: van “Hij wil niet meewerken” naar “Hij denkt na, misschien wel te veel.” Wat gebeurt er in zijn hoofd? “Groen, maar welk groen bedoel je? Mintgroen? Mosgroen? Lichtgroen? Donkergroen? Ik zei het net al twee keer goed, dus misschien bedoel je nu iets anders?” Hij faalt niet. Hij wil het zó goed doen dat hij vastloopt in alle mogelijkheden.

Voorbeeld 4

Het overprikkelde kind

Aan het eind van de dag is een kind erg druk. Hij rent, roept, gooit spullen om en luistert niet naar je. Het lijkt alsof hij expres moeilijk doet. De andere kinderen worden er onrustig van.

Het label dat ontstaat: “Lastig gedrag.” “Hij kan zich niet gedragen.” “Aandachtszoeker.” “Hij wil niet luisteren.”

Wat zie je écht? Een kind dat veel beweegt. Een kind dat luid is. Een kind dat aan het eind van de dag moeite heeft met structuur. Een kind dat niet reageert op gewone aanwijzingen.

De verschuiving: van “Hij gedraagt zich niet” naar “Hij is overprikkeld en moe.” Wat ging eraan vooraf? Een volle dag. Veel prikkels, veel kinderen, lawaai, activiteiten. Zijn systeem zit vol. Hij is niet lastig. Hij kan gewoon niet meer. Geef hem een rustig plekje, even alleen, even tot rust komen, en het gedrag stopt. Omdat de stress afneemt.

Voorbeeld 5

Het agressieve kind

Een kind slaat een ander kind. Zomaar, zo lijkt het. Jullie waren rustig aan het spelen en plots: een klap.

Het label dat ontstaat: “Agressief kind.” “Hij kan niet met andere kinderen omgaan.” “Moet grenzen leren.” “Impulsief.”

Wat zie je écht? Twee kinderen die aan het spelen waren. Het ene kind pakte een speeltje. Het andere sloeg. Daarna huilen ze allebei.

De verschuiving: van “Agressief kind” naar “Kind dat overvallen werd en geen woorden had.” Wat ging eraan vooraf? Het andere kind pakte het speeltje. Misschien was hij er net mee bezig. Misschien was het zijn favoriet. En hij had de woorden niet om te zeggen: “Hé, dat is van mij” of “Mag ik dat terug?” Slaan is niet oké. Maar het is geen agressie. Het is een onhandige poging om een grens te stellen.

Voorbeeld 6

Het te-stille kind

Een kind speelt altijd alleen. Het zit vaak te kijken. Het doet mee als je het vraagt, maar zoekt zelf nooit contact met andere kinderen. Je maakt je zorgen.

Het label dat ontstaat: “Verlegen.” “Sociaal onzeker.” “Eenzaam kind.” “Misschien autisme?”

Wat zie je écht? Een kind dat speelt, alleen. Een kind dat observeert. Een kind dat meedoet als je het vraagt. Een kind dat rustig is.

De verschuiving: van “Verlegen en onzeker” naar “Kind dat energie haalt uit alleen zijn.” Niet elk kind is extravert. Niet elk kind heeft een grote vriendengroep nodig. Misschien is dit kind gewoon introvert. Misschien laadt hij op door alleen te spelen en kijkt hij eerst goed voordat hij meedoet. Is hij eenzaam, of is hij lekker bezig? Vraag het hem. Kijk naar zijn gezicht. Ziet hij er ongelukkig uit, of tevreden?

De kunst van kijken zonder oordeel

Zie je het patroon in alle voorbeelden?

Label, interpretatie, conclusie. Je stopt met kijken.

Observatie, nieuwsgierigheid, openblijven. Je blijft doorvragen.

En dat doorvragen begint bij jezelf: Wat zie ik écht? Wat concludeer ik? Is dat een feit of een interpretatie?

Reflectievragen

Neem even de tijd voor jezelf. Pak pen en papier.

  1. Welk kind in jouw groep krijgt een label van jou? Mag je opschrijven, niemand leest mee.
  2. Wat is dat label precies? Druk? Verlegen? Lastig? Uitdagend?
  3. Wat zie je als je puur observeert, zonder dat label? Beschrijf het gedrag alsof je het vertelt aan iemand die het kind niet kent.
  4. Wat verandert er als je het label loslaat? Voel je meer ruimte? Meer nieuwsgierigheid?
  5. Waar komt jouw label vandaan? Hoorde je het van collega’s? Concludeerde je het zelf? Lijkt het op een ander kind?

De eerste stap is gezet

Je hebt nu stap 1 gezien: stop met labelen, start met kijken. Dit is de basis van alles. Want als je niet écht kijkt, kun je niet zien wat een kind nodig heeft.

In de volgende les gaan we dieper. Wat doe je met wat je ziet? Hoe vind je de aanleiding? En welke basisbehoefte speelt er?

Vorige les
Volgende les

Neem contact op: 06 15336587  |  [email protected]

Handige linkjes: Pedagogisch coach | Blog en Downloads

Algemene Voorwaarden
Contact

© 2026 | Webdesign Kuipers Design

Kies uw cookievoorkeuren. Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken we o.a. cookies om apparaatinformatie op te slaan en/of te openen. Door toestemming te geven voor deze cookies kunnen we bepaalde gegevens op deze site verwerken. Als u geen toestemming geeft, kan dit een negatief effect hebben op de werking.

Functioneel Standaard actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel om het gebruik van een specifieke dienst mogelijk te maken die uitdrukkelijk door de abonnee of gebruiker is aangevraagd, of met als enig doel de overdracht van een communicatie via een elektronisch-communicatienetwerk uit te voeren.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.
Marketing
De technische opslag of toegang is vereist om gebruikersprofielen aan te maken om advertenties te verzenden, of om de gebruiker op een website of over meerdere websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.