Kort antwoord: een straf kan gedrag even stoppen, maar een jong kind leert er vaak weinig van. Een peuter snapt de link tussen zijn gedrag en de straf nog maar beperkt, en leert vooral dat hij iets fout heeft gedaan. Wat hij in plaats daarvan kan doen, leert hij er niet van. Beter werkt het om een duidelijke grens te stellen, te kijken welke behoefte achter het gedrag zit en het kind te laten zien hoe het wel kan.
Een peuter gooit voor de derde keer een beker melk om. Expres, dat zie je aan zijn gezicht. Je voelt de irritatie opkomen en je zegt: “Nu ga jij even op de bank zitten.” Hij huilt, de rest van de groep kijkt, en vijf minuten later begint hij met iets anders. Herkenbaar? Het is een heel menselijke reactie. Toch loont het om eens stil te staan bij wat dit kind eigenlijk leert.
Wat leert een kind van straf?
Een straf zegt: dit mag niet. Dat is duidelijk. Wat een straf niet zegt, is wat het kind dan wel kan doen met het gevoel of de wens die het had. Een peuter die melk omgooit omdat hij zich verveelt, verveelt zich na de straf nog steeds. En een kind dat aandacht zocht, heeft die aandacht nu ook gekregen, alleen op een manier die voor niemand fijn is.
Daarbij kunnen jonge kinderen hun gedrag nog maar beperkt sturen. Het deel van de hersenen dat helpt om een impuls te remmen, groeit nog volop. Een peuter kan heel goed weten dat iets niet mag en het toch doen. Dat is geen onwil, dat is ontwikkeling.
Grenzen zijn wel belangrijk
Minder straffen betekent geen alles goedvinden. Kinderen hebben duidelijke grenzen nodig, dat geeft ze juist rust en veiligheid. Het verschil zit in hoe je die grens stelt. Rustig, kort en voorspelbaar: “Melk blijft in de beker.” En daarna help je het kind verder.
Kijk naar de behoefte achter het gedrag
In de Ik Zie Jou Methode onderscheid ik zes basisbehoeften: zekerheid, afwisseling, betekenis, verbinding, groei en bijdrage. Bijna al het gedrag dat we lastig vinden, is een poging om een van die behoeften te vervullen. De peuter met de melk zoekt misschien afwisseling, omdat het eten lang duurt. Of verbinding, omdat hij merkt dat de juf dan naar hem kijkt.
Als je de behoefte ziet, kun je er iets mee. Geef het kind dat afwisseling zoekt een taakje, zoals de bekers uitdelen. Geef het kind dat verbinding zoekt aandacht op een moment dat het goed gaat. Dan hoeft het die aandacht niet meer op een andere manier te halen.
Wat kun je doen op het moment zelf?
Stel de grens, kort en rustig. “Stop. Melk blijft in de beker.” Hoe rustiger jij blijft, hoe sneller het kind tot rust komt.
Laat het kind meehelpen. Samen de melk opruimen is een logisch gevolg dat past bij wat er gebeurde. Het kind leert zo dat het iets kan herstellen.
Benoem wat je ziet. “Jij wilde van tafel, hè? Het duurde lang.” Zo voelt het kind zich gezien, ook al mocht het gedrag niet.
Laat zien hoe het wel kan. “Als je klaar bent, zeg je: ik ben klaar. Dan mag je je bord wegbrengen.”
Heeft het kind even afstand nodig? Blijf dan in de buurt. Samen even rustig worden op de bank werkt vaak beter dan het kind alleen wegzetten.
En jijzelf?
Stap 3 van de Ik Zie Jou Methode gaat over jou. Ook jij hebt behoeften. Na een lange dag wil je misschien vooral rust, en dan botst dat met een kind dat afwisseling zoekt. Dat is menselijk. Als je dat van jezelf weet, kun je bewuster kiezen hoe je reageert.
Wil je de Ik Zie Jou Methode zelf eens proberen? Begin met de gratis mini-training Ik Zie Jou. En lees ook de blog Waarom luistert een kind niet?
Bij welk gedrag op jouw groep grijp jij het snelst naar een straf? En wat zou er gebeuren als je daar eens de behoefte achter zoekt?
Geschreven door Anja Lutz, oprichter van JipKes Trainingen en ontwikkelaar van de Ik Zie Jou Methode. Meer over Anja